Bach's bedoelingen met eigen composities (1) Wie op goede, vooral zeer goede voet verkeert met componisten die weet, soms tot in de details, hoe hun muziek tot stand komt en ook waarvoor. Het laatste beïnvloedt het eerst niet-zelden. Het gaat in het ene geval om een compositie-opdracht in formele zin, of in het andere geval (wanneer betrokkene ook nog eens uitvoerend musicus is) om eigen speel- of dirigeerrepertoire voor een bijzondere gelegenheid of voor 'gewone' concertoptredens. Ook kan het om materiaal gaan voor compositielessen aan anderen of om uitingen louter en alleen voor het eigen plezier als bedenkend en opschrijvend vakman-in-muzieknoten.
Wat het laatste betreft: ooit componeerde de Zwitserse Nederlander Frank Martin een mis voor dubbelkoor. Martin beschouwde dit als iets voor tussen hem en God. Hij had er geen praktisch-uitvoeringsdoel mee. Maar toen de Duitse uitgever Bärenreiter jaren later lucht kreeg van het bestaan van deze door Martin zo diep gekoesterde compositie, haalde de directeur ervan 'alles uit de kast' om de componist zover te krijgen dat hij zijn mis voor uitgave beschikbaar zou stellen. Martin weigerde. Maar, conform een bekend spreekwoord, aangezien aanhouders vaak plegen te winnen, haalde Martin op een gegeven moment, na veel vijven en zessen dus, zijn 'oude' handgeschreven muziekstuk toch uit de kast, nam het op zijn gemak kritisch door, begon de notentekst hier en daar te wijzigen - kwestie van voortschrijdend inzicht - en kreeg er steeds meer aardigheid in om het werk openbaar te laten maken. Uiteindelijk verscheen het dan ook, in omgewerkte vorm dus, bij Bärenreiter in druk. Wie de grote koormis van Martin beluistert zal, ook zonder de bovengenoemde voorkennis, onder de indruk raken van de immense expressieve kwaliteiten van de muziek. Oftewel hoe een zeer intieme aanleiding tot componeren tot een ongekend diepwoelend artistiek resultaat kan leiden: een compositie die ook niet ontstond vanuit kennis van beperkingen laat staan van specifieke omstandigheden van beoogde (eerste) uitvoerenden.
BACH Van het merendeel van de composities van Johann Sebastian Bach - met permissie: de grootste musicus die er ooit heeft geleefd - weten wij ongeveer wel waarvoor zij ooit bedoeld zijn geweest. De cantates op religieuze teksten weerklonken voor en in kerkelijk-liturgische omstandigheden, de klavecimbelmuziek was voor het eigen concert- en lesgebruik als ook voor commerciële doeleinden (Clavier-Uebung deel 1 en 2 en 'Goldbergvariaties'), de orgelmuziek was voor het eigen gebruik als kerkorganist, concertvirtuoos en pedagoog, et cetera; zo luidt de communis opinio hierover. Maar om een koppeling of koppelingen te leggen van een compositie met een concrete aanleiding is bij Bach in de regel héél moeilijk. Dit heeft alles te maken met een vrij groot gebrek aan concrete, relevante inlichtingen over Bach's leven en praktische werkzaamheden als beroepsmusicus: eerst als kerkorganist (Arnstadt, Mühlhausen), daarna hofkamermusicus, -organist, -concertmeester (Weimar), vervolgens hofkapelmeester (Köthen) en uiteindelijk 'Kantor und Director Musices zu Sankt Thomae', muziekorganisator, concertvirtuoos, dirigent, privéleraar, muziekinstrumentenexpert en -verhuurder, muziekuitgever en pedagoog (Leipzig).
Maar ook het te maken met het vrij ontnuchterende gegeven dat de muziek van Bach weliswaar spectaculair ís, maar dat zijn levensloop dat absoluut niet is geweest. Dé belangrijkste reden dat er tijdens zijn leven zo weinig in het openbaar over Bach geschreven werd. Nog afgezien van het feit dat Bach ten aanzien van schrijf- en publiceergrage tijdgenoten eerder terugtrekkende bewegingen maakte dan toenaderende. Zoals met name de Hamburgse musicus, diplomaat en invloedrijke muziekjournalist Johann Mattheson meermalen heeft ervaren.
Wat vanuit biografisch-historisch standpunt gezien, hierbij ook een belangrijke rol heeft gespeeld is dat na Bach's dood in 1750 zijn hele administratieve huishouding en muziekcollectie in het ongerede is geraakt, mild geformuleerd. Brieven en andere documenten werden voor het overgrote deel vernietigd (want uiteindelijk geen geldelijke erfeniswaarde) en Bach's muziekcollectie, die vrijwel zeker van grote omvang is geweest, werd verdeeld onder andere onder de vakmusici van zijn erfgenamen, met name zijn zonen Wilhelm Friedemann, Carl Philipp Emanuel, Johann Christoph Friedrich en Johann Christian Bach. Het verlies van honderden, cantates, kamermuziek- en orkeststukken valt hier in grote mate aan te wijten, want niet elke Bachzoon, laat staan hun erfgenomen gingen zorgvuldig met het erfdeel van Vader om, wederom heel mild geformuleerd.
Tijdens Bach's hele leven is er maar een moment geweest waarin hij de status van 'wereldberoemdheid' verwierf. Dat was in 1747 toen hij zijn opwachting maakte bij de muzieklievende (en zelf componerende) koning Frederik de Grote van Pruisen in Potsdam. Zelfs Nederlandse kranten maakten daar toen melding van. Naar aanleiding van het 'staatsbezoek' van de Saksische ingezetene Bach aan de monarch van het aan het hertogdom Saksen grenzende vorstendom Pruisen - vrijwel zeker bij gelegenheid van de oplevering even te voren van koning Frederik's zomerpaleis Sans Soucci, op voorspraak van Bach's tweede zoon Carl Philipp Emanuel die toen hofklavecinist van de Pruisische koning was - componeerde en publiceerde hij na terugkeer in Leipzig linea recta twee 'Pruisische' fuga's, een reeks canons en een vierdelige triosonate in Berlijns-galante stijl. Alle werden onder de titel Das Musikalisches Opfer samengebracht en als zodanig opgedragen aan koning Frederik.
Al mag Bach als persoon ten aanzien van Publiciteit en Openbaarheid een oesterachtige opstelling hebben gehad - bij zijn leven gold hij in Duitsland en ver daarbuiten zowat als de belangrijkste musicus waardoor, indachtig uitspraken van C.Ph.E.Bach, zo ongeveer 'iedereen' op hem afkwam - ten aanzien van zijn muziek was dit ab-so-luut niet het geval. In 'het muzikale offer' voor koning Frederik van Pruisen tekent zich dit vrij helder af, zowel ten aanzien van de vorst zelf als van Bach's Leipziger medeburgers. Want toen de 'Pruisische fuga's' - een zesstemmige in streng-polyfone stijl voor klavecimbel en een driestemmige in 'Empfindsame' stijl voor fortepiano - in Leipzig in druk waren verschenen, deelde hij exemplaren van met name de zesstemige 'Ricercar' overal in de stad uit, aan vrienden, kennissen en andere relaties. Kwestie van netwerken aan het thuisfront zogezegd. Maar om dit uitgerekend door middel van een alles behalve modieus muziekstuk te doen? Nota bene een doorwrocht polyfoon bouwwerk dat, zo kunnen wij rustig aannemen, door vrijwel niemand ten gehore zal hebben gebracht?
Een van de obstakels hierbij was namelijk dat alle zes stemmen van de Ricercar op zes aparte notenbalken stonden afgedrukt, wat niet alleen voor de ontwikkelde amateurmusici onder Bach's vrienden- en kennissenkringen maar ook voor de beroeps-musici daaronder een hele opgave zal zijn geweest. Noch afgezien van de complexe stemvoering van zes partijen die te verdelen zijn over twee handen op het klavecimbelklavier.
In zijn geschenk aan koning Frederik - alle stukken zijn op een hoofdthema van Frederik de Grote zelf gebaseerd, het 'koninklijk thema' - tekent zich de maker ervan, met zijn persoonsgebonden stijlkenmerken, overduidelijk af. Oftewel door middel van de contrapuntische hoofdvormen canon en fuga. Anderzijds manifesteert Bach zich als een kunstenaar die goed weet dat en hoe hij zich naar de stilistische opvattingen van zijn ontvanger dient te richten, oftewel door middel van een in galante, vooral 'Empfindsame', gevoelige stijl gecomponeerde triosonate. De 'brug' tussen beide werelden wordt in Das Musikalisches Opfer' gevormd door de driestemmige 'Ricercar' (= fuga) waarin zowel de onmiskenbare eigen, briljante maar in wezen toch 'strenge' fugatechniek gemengd is met de meest 'gevoelige', zingende uitdrukkingsvomen waar Frederik de Grote zo tuk op was.
Dat Bach zijn 'Pruisische fuga's' met 'Ricercar' aanduidde - in wezen een vroege fugavorm uit de late Renaissance - had te maken met een ander modetrekje aan Frederik's hof. Daar waarin tot en met de architectuur van gebouwen en tuinen aan toe het Oude werd verheerlijkt. Als ook dat het een ironische reactie moet zijn geweest op het gegeven dat Bach, wellicht door koning Frederik van Pruisen zelf, als een soort antieke muziekfiguur werd beschouwd. Een relict uit een andere, voorbije tijd waarin men excelleerde in muziekvormen die echter op dat moment, 1740er jaren, ab-so-luut uit de mode waren: de canon en (vooral) de fuga. In zijn triosonate, met name in het derde deel, bewees Bach echter wel degelijk tot het componeren in galante, 'Empfindsame' stijl in staat te zijn. Gewoon een kwestie van grote intelligentie en een even groot vakmanschap. Niets bijzonders eigenlijk, bij Bach en bij zoveel andere componisten van dezelfde snit na hem.
Volgende keren: Gevolgtrekkingen van de recente Bachvondsten in Weimar met betrekking tot de geschiedschrijving van Bachs vroege levensjaren in Ohrdruf en Lüneburg. Daarna, het tweede deel van de mini-serie 'Bach's bedoelingen met eigen composities (onderwerp: drie sonate's en drie suite's voor viool-solo) - Rob van der Hilst
|