Ton Koopman 
  zondag 5 september 2010
  Auteur: Ton Koopman -   
apr 2006
 

dinsdag 18 april 2006 9:20  |  Wil je op dit artikel reageren?

Bachorgel

Wat is eigenlijk een Bachorgel? Misschien een orgel dat Bach bespeelde? We weten dat J.S. Bach orgels van diverse orgelbouwers bespeelde. Maar wat was zijn ideale orgel? Deze vragen zijn moeilijk met enige zekerheid te concretiseren. Natuurlijk bespeelde hij orgels die vaak onder zijn niveau waren, maar het orgel van de Hamburger Jacobi Kerk (Schnitger) of het verdwenen Catharinaorgel aldaar dat onder andere werd bespeeld door J. Reinken, imponeerde hem zeer. Helaas is er weinig bekend over locale bouwers van instrumenten die Bach bespeelde of kende. Een ding is echter zeker: Bach was al als jongeman zeer geïnteresseerd in orgelbouw. Van één orgelbouwer Gottfried Silbermann zijn vele instrumenten bewaard gebleven. Waren dit dan Bachs ideale instrumenten? De relatie tussen de bouwer, G. Silbermann, en de speler J.S. Bach, was niet ideaal. Bach had onder andere veel kritiek op hem vanwege zijn stemmingssysteem. Bij het keuren van een orgel van een collega-bouwer waren Bachs voorganger Kuhnau en Silbermann aanwezig. Bach was nummer één. Hij kreeg, wat we nu zouden noemen, de bruidssuite in het hotel om te kunnen componeren als de anderen sliepen. De kaarsen bleven de hele nacht branden. Daarbij at en dronk hij meer dan de andere twee heren tezamen.

Zijn muziek klinkt prachtig op onze Nederlandse barokorgels, maar ze werden er nooit voor gebouwd. Gelukkig beschikken we over heel veel orgels uit de zeventiende en achttiende eeuw. Zijn deze dan de ideale instrumenten voor Bach? Zou Bach ze uitgekozen hebben voor zijn orgelwerken? Hij kende ze niet, maar Bach spelen op onze historische orgels voelt zoals ik denk dat Bach het gewild had. Wellicht zullen we nooit weten wat een Bachorgel was. Een Bach organist heeft dus één grote zorg: hoe verdedig ik op een mooi, maar voor de componist onbekend instrument, zijn ideeën? In Nederland gaat de discussie dan altijd over tempo, het moet vooral niet te snel. Maar tempo is slechts een heel klein onderdeel. Creativiteit, muzikaliteit, emotionaliteit, et cetera zijn veel essentiëler. Iemand zoals ik, die met ‘normale’ oude muziektempi orgel speelt, krijgt in Nederland, altijd de kritiek te horen dat hij te snel speelt. Maar werd niet van Bach gezegd dat hij, jonger dan ik (Bach was 56!), met zijn voeten sneller speelde dan anderen met de vingers konden? Spelen wij Bach niet te traag op het orgel? Bij een uitvoering door een barokorkest accepteren we tempi die kennelijk een organist niet toegestaan zijn? Heeft het met de galmende akoestiek in onze oude kerken te maken? Het publiek kan ook dichterbij gaan zitten. Wanneer in het creatieve proces een goed tempo ontstaat, kan men dat niet geforceerd vertragen. Musiceer alsjeblieft ook op het orgel!

- Ton Koopman


vrijdag 14 april 2006 9:28  |  Wil je op dit artikel reageren?

Bach oud-nieuw

Hoewel op de cd-markt dit voorjaar de cd's en dvd's van ‘onze’ Matthaeus Passion verschenen, is mijn aandeel in deze Heilige Week, voor zover het J.S. Bach betreft, klein. Géén passionen, ‘slechts’ Kunst der Fuge, samen met mijn vrouw Tini Mathot. Ook dirigeerde ik gisteren voor de tweede keer een concert met het Deutsches Symphonie Orchester Berlin, in de Philharmonie in Berlijn.

Op het programma staan de ‘Reformatie-symfonie’ van Mendelssohn en twee werken van Bach: zijn derde orkestsuite en samen met Klaus Mertens de ‘Kreuzstabcantate’. Klaus als Bach interpreet is voor mij het allermooiste wat er bestaat. Zo eerlijk, zo gemakkelijk, zo precies als ik denk dat Bach het wellicht zelf zong. Geen verbazing alstublieft: ik denk namelijk dat J.S. Bach zelf veel van zijn eigen bas-aria's zong en zelfs vioolsolo's speelde. Klaus is een all round zanger. Wie hem in repertoire van latere datum beluistert, hoort een totaal andere zanger die met veel groter volume, bijna in de hoogte van een koor kan zingen. Zijn prachtige ‘Winterreise’ van Schubert bewijst dat.

Voor sommigen zal je Schubert sentimenteler moeten zingen. Ik geloof echter dat Klaus hier precies, zoals hij dat doet bij Bach, de interpretatie geeft die deze muziek van de jonge Schubert vereist. Daarbij wordt hij overigens prachtig begeleid op een origineel instrument uit 1802 door Tini Mathot.

Terug naar Bach en het symfonie-orkest. De oude instrumenten ontbreken, de bijzondere klank van darmsnaren, barokhobo en natuurtrompet hebben daar hun plaats al heel erg lang moeten afstaan. Immers de grote zalen vereisten, zo vond men, een groter volume. Toch is bij een klein bezet ensemble met moderne instrumenten niet persé het volume zoveel groter.

Het is een boeiende ervaring met een uitstekend orkest dat niet de baroktaal geleerd heeft, muziek van Bach uit te voeren. Staan ze ervoor open? Willen ze het experiment aan? Spelen met weinig vibrato, hoe zuiver blijft het? Langzamer strijken bij de strijkers; hoe regel je dat het niet te veel buikt? Maar vooral: blijft Bach overeind? Vroeger toen ik wel eens met het Concertgebouworkest één van de passies van Bach uitvoerde, had je te maken met een geweldig orkest dat door Harnoncourt stevig geïnitieerd was. In Berlijn is het veel nieuwer. De bereidheid is groot, vrij snel wordt alles lichter, je ziet de musici glimlachen. Voor mij is het een nieuwe, maar bijzondere ervaring Bach met ‘moderne’ (hier 160 jaar oude) instrumenten uit te voeren. Na een voorzichtige ouverture danst het orkest.

- Ton Koopman


dinsdag 11 april 2006 13:13  |  Wil je op dit artikel reageren?

De Matthaeus Passion

Bachs Matthaeus Passion werd volgens de meeste Bachkenners voor het eerst uitgevoerd in 1727. Deze versie was nog niet de ons nu bekende versie met twee koren en twee orkesten, maar een eenvoudige met ‘slechts’ één koor, één orkest en solisten die in het koor meezongen.

Het jaartal 1727 is echter niet onbetwist, omdat het vroegste libretto immers gedateerd is in 1729. Dat is dan ook de reden dat musicologen als Christoph Wolff al jaren fanatiek op zoek zijn naar de definitieve datering.

In ieder geval dacht Mendelssohn dat hij honderd jaar na datum, in 1829, de Matthaeus Passion voor het eerst in een heruitvoering bracht. Op zichzelf is dat niet zo relevant, want1727 past veel beter dan 1729 in de datering van de Passionen die we van J.S. Bach kennen.

Picander publiceerde in 1729 als onderdeel van een van zijn dichtbundels deze tekst met daarbij aangetekend: ‘Uitgevoerd op Goede Vrijdag in de Thomaskerk’. Zoals bekend, is hij de dichter van de tekst met uitzondering van de letterlijk geciteerde bijbelwoorden.

De uitvoering van de Johannes Passion vond plaats in de Nicolaïkerk, evenals de passiewerken van andere componisten die echter door J.S. Bach werden uitgevoerd.
Voor zover bekend voerde Bach steeds de Matthaeus Passion in de ruimere Thomaskerk uit. Bij het orgel van de Nicolaïkerk was namelijk minder plaats beschikbaar, zeker voor een dubbelkorige Matthaeus Passion. Na Bachs dood werd de Nicolaïkerk intern volledig verbouwd. De akoestiek van deze kerk is echter veel gunstiger dan die van de Thomaskerk, waar vooral de lage stemmen en instrumenten het moeilijker hebben om gehoord te worden.

Hoe ver koren en orkesten van elkaar gescheiden waren bij de versie van de Matthaeus Passion zoals wij die kennen, is niet bekend. Wel is het zeker dat het ongelofelijk koud was in de kerk. Onlangs zijn er bij de restauratie resten teruggevonden van een grote schouw achter het orgel. Die was meer dan nodig om de musici voor de uitvoering te verwarmen. Zij waren stellig dubbel dik gekleed en droegen vingerloze handschoenen. Tijdens de uitvoering voorzag een stoofje bovendien de musici van warmte. Hoe koud was het dan wel niet voor het publiek? Tweeëneenhalf uur passiemuziek, gevolgd door nog zeker een kerkdienst van een uur?

Vaak klagen bezoekers nu over de oncomfortabele kerkbanken. Maar het is in ieder geval heerlijk warm in onze kerken. Gelukkig bestaan versies à la Mengelberg (drie tot vier uur!) niet meer. In ieder geval geldt dat voor Nederland.

- Ton Koopman


dinsdag 11 april 2006 13:10  |  Wil je op dit artikel reageren?

Jongenssopraan

We praten altijd over jongenssopranen, maar er zijn ook jongensalten. Zelf ben ik daar een voorbeeld van. Als jongetje zong ik op bijna veertien jarige leeftijd in het kerkkoor in Zwolle. Daar zong ik voor het eerst ook Bach. Nu is het een zeldzaamheid om als jongetje te zingen tot je veertiende jaar. In Bachs tijd, en tot zelfs niet al te lang geleden, zong menig jongetje tot z'n vijftiende jaar.

Bij Bach kennen we verklaringen van hem zelf waaruit blijkt dat zijn jongetjes
vaak tot hun zestiende, zeventiende en zelfs achttiende jaar sopraan- of altpartijen zongen. Oude jongetjes dus! Dat moest ook wel, want op de Thomasschool in Leipzich was je pas op je twaalfde welkom. De Thomasschool was een koorschool voor arme kinderen. Tegenwoordig zou je na nog geen jaar op een koorschool weer buiten staan. Zo niet in de zeventiende en achttiende eeuw.
Wat is de reden dat deze jongens zo lang zo relatief hoog konden zingen?
Sommige deskundigen menen dat de oorzaak ligt in slecht voedsel. Ik heb eens een jongenssopraan gekend, Sebastian Hennig, die op elfjarige leeftijd begon te zingen. Zijn vader was de dirigent van het Hannover Knaben Chor. Op opnames van de Bachcantates onder leiding van Gustav Leonhardt is hij goed gedocumenteerd: van een schattige sopraantje tot een kind dat vanaf zijn dertiende jaar plotseling veel muzikaler bleek te zijn dan gedacht. Hij bleef doorgaan tot hij bijna zestien was. Een geweldig muzikaal talent, dat hoor je. Overigens weet hij alles over computers en heeft hij zijn ervaringen met Bach een beetje weggestopt.

Voor een kind zijn cd-opnames (toen lp-opnames) bijzonder stress vol. In de tijd van Hennig kostte het nog drieëneenhalf tot vier uur om een aria op te nemen. Sebastian was dus net als vele jongere collega's regelmatig in tranen omdat die ene moeilijke triller weer niet gelukt was en de opnameleider die toch op de plaat wilde horen. Hij moest het steeds maar weer over doen. Dan was dit en dan weer dat niet goed. Dergelijke ervaringen wil je zeker graag vergeten.

Je kunt heel goed horen hoe Sebastian zong: namelijk zoals Bach het wilde.
Waarom jongetjes zo pijnigen? In Bachs tijd mochten vrouwen niet in het kerkkoor of als solist zingen: mulier taceat in ecclesia. Als vrouwen toch meezongen, gebeurde dit in het geheim, bijvoorbeeld bij Telemann in Hamburg, waar een vrouwelijke sopraan een groot schandaal veroorzaakte toen ze zich pontificaal liet zien. Ze had zich reeds lang geërgerd omdat haar ‘jongens-sopraanstem’ zo geprezen werd. Maar ze moest in het geheim verborgen opgesteld soleren.
Gelukkig is het nu anders. Dames mogen en moeten sopraan- en altrollen zingen.
De castraat is terecht verdwenen uit de opera, de oudere jongetjes helaas uit het (kerk)koor.
Er zijn nu god zij dank voldoende jonge vrouwen die met weinig vibrato en kennis van barokke uitvoeringspraktijken, heel muzikaal Bachs prachtige muziek in het koor en als solist kunnen vertolken.

- Ton Koopman


donderdag 6 april 2006 10:2  |  Wil je op dit artikel reageren?

Welkom Ton Koopman

De redactie van de bachagenda heeft Ton Koopman benaderd om een eigen weblog bij te houden. Hierbij willen wij hem bedanken dat hij hiertoe bereid was. Veel plezier en succes ermee!! - De redactie